| Twee eeuwen stoom op het spoor |
| |
| 1804 - 2004 |
|
 |
 |
|
In februari 2004 was het tweehonderd jaar geleden dat de Engelse
ingenieur Richard Trevithick de eerste enigszins bruikbare
stoomlocomotief over rails liet rijden. Stoomlocomotief, wat héét? Een
ketel, een pijp, een aantal tandwielen en stangen. De hele constructie
gemonteerd op vier wielen. Het leek van geen kanten op de
stoomlocomotieven die we nu nog - bij de museumspoorlijnen - kunnen zien
rijden. En op de rails viel ook wel wat af te dingen. Die waren namelijk
gemaakt van het breekbare gietijzer, en daar zakte het mobiel dan ook
regelmatig doorheen.
Alle begin is moeilijk en dat gold ook voor de spoorwegen. Maar door
vasthoudendheid en het aanbrengen van steeds verder gaande verbeteringen
werd de stoomlocomotief de sleutel tot de snelle industriële en
maatschappelijke ontwikkelingen in de 19e eeuw.
Leve
de man die het wiel uitvond!
'Draag je eigen lasten' was het motto waarmee de mens het jarenlang
moest doen. In de tijd van jagers en verzamelaars was dat niet zo'n
probleem. Had je een zware beer overmeesterd, dan waren er altijd wel
mensen te vinden om je te helpen sjouwen. Toch kent ook het
draagvermogen van de sterkste mens zijn grenzen. Het zou echter tot rond
4500 vC duren voordat men in Mesopotamië - het huidige Irak - de eerste
versie van het wiel ontwikkelde: drie aan elkaar gezette, afgeronde
planken. Het wiel maakte het mogelijk, zwaardere goederen te verplaatsen
en ook over grotere afstanden.
Sporen in de weg
Van wegen was in die tijd nauwelijks sprake. Men verplaatste zich te
voet of per rijdier, en pas toen men karren ging gebruiken, werden de
paden breder. Maar de weg was meestal niet berekend op wieldruk en zo
werden sporen gevormd. Deze hadden wél het voordeel, dat ze harder waren
dan de rest van de weg. Kortom, de eerste voerman had pech en wie na hem
kwam, kon hem dankbaar zijn. De sporen hielden de karren op koers, wat
wel nodig was in de smalle ruimten tussen de
dicht op elkaar staande
stedelijke bebouwing. Later ging men wegen verharden, maar de
karrensporen waren zo nuttig gebleken en ingeburgerd dat ze doelbewust in
de verharding werden uitgehakt.
Vanuit Mesopotamië verspreidde het principe van de karrensporen zich via
Griekenland naar Sicilië, vanwaar de Romeinen het overnamen. Zo kan men
uitgehakte sporen zien in de straten van Pompeï, de stad bij Napels die
in 79 vC door de as en lava van de Vesuvius werd bedolven. Overigens
komt ons woord 'straat' van het Latijnse 'strata' = plaveisel.
Met het verval van het Romeinse rijk raakte ook het technisch kunnen van
de Romeinen - zoals de toepassing van centrale verwarming en riolering -
in de vergetelheid. Kelten, Gothen, Franken, Saksen, Hunnen en Turken
misten de technische kennis en verfijning van de Romeinen en voerden bij
voorkeur oorlog. De Middeleeuwen betekenden onder meer op technisch
gebied een lange periode van stilstand. Veel later zou men bij
opgravingen verharde wegen met uitgehakte sporen ontdekken die waren
bedekt door onverharde modderwegen uit de middeleeuwse periode.
Stoom in de oudheid
Niet alleen 'sporen' waren in de oudheid bekend, maar ook het
verschijnsel 'stoom' kende men al lang. Breng je water aan de kook, dan
komt er damp af. Ieder primitief volk dat zijn eten begon te koken,
kreeg er mee te maken. Maar voor het omzetten van stoom in kracht is een
apparaat nodig. Rond 130 vC had Hero van Alexandrië zo'n ding ontworpen:
een bol tussen twee draaipunten.
Eén van die punten was hol en daardoor
werd stoom in de bol gelaten. Aan de bol waren tegenover elkaar twee
gaten gemaakt met daaraan een gebogen pijpje. Daardoor kon de stoom
ontsnappen en door de reactiekracht ging de bol in tegengestelde
richting draaien.
De Romeinen waren goede loodgieters en ontwikkelden bijvoorbeeld een met
houtskool gestookte ketel voor het gebruik in badkamers. Maar omdat
goedkope kracht volop aanwezig was in de vorm van trekdieren, slaven,
veroordeelden en krijgsgevangenen, dacht men niet aan stoom voor het
opwekken van mechanische (trek)kracht. Ook over de stoom daalde daarna
de nacht van de Middeleeuwen, niet ten onrechte door de Engelsen de 'Dark
Ages' genoemd. Van sporen in de weg naar spoorweg Onder het motto 'Luiheid is 's mensen grootste deugd, anders waren er
niet zoveel uitvindingen gedaan' was men inmiddels blijven zoeken naar
methoden om zware lichamelijke arbeid lichter te maken. De uitvinding
van het wiel was al een grote verbetering geweest, maar geleidelijkaan
was er behoefte ontstaan aan voertuigen voor het verplaatsen van steeds
zwaarder materiaal. Dat speelde vooral in de mijnbouw. Daarbij kunnen we
onderscheid maken naar intern en extern vervoer, dus binnen en buiten de
mijn. Intern vervoer heb je nodig op de plaatsen waar kolen en ijzer
worden gedolven; extern vervoer zorgt ervoor dat het materiaal van de
mijn naar elders, bijvoorbeeld naar een haven, wordt gebracht. De sporen
in de weg waren niet meer toereikend.
Vanaf de 14e eeuw zien we in de Duitse gebieden toepassing van houten
karren op houten platen, vooral voor intern transport. Om te voorkómen
dat de kar letterlijk uit het spoor zou lopen gebruikte men houten
geleide-pennen. Later bracht men tegen de rijplaten opstaande kanten
aan. Het geheel werd bij elkaar gehouden door op bepaalde afstanden
dwarsverbindingen te maken. Door deze raamconstructie van rijplaten en
dwarsliggers werd het gewicht van het voertuig over een groter oppervlak
verdeeld. Dat bood de mogelijkheid om de wagens zwaarder te maken en/of
op een slappere ondergrond te rijden. Voor het einde van de 16e eeuw werd mijnspoor in Engeland ingevoerd,
vooral in het noordoosten. Later begon men ook in de mijnen van Wales en
Schotland met het gebruik van spoor - nog steeds met paardentractie want
er was nog niets beters. In deze tijd ging men ook gietijzeren wielen en
rijplaten toepassen. Dat materiaal brak nogal gauw, maar omdat de
voertuigen nog niet zo zwaar waren, voldeed het redelijk. Totdat de
rijdende stoommachines zouden komen... In de 17e eeuw nam door de Industriële Revolutie op de Britse eilanden
de behoefte aan andere transportmiddelen snel toe. Nieuwe technieken,
vooral de toepassing van stoomkracht, leidden tot het winnen van meer
kolen en een snellere aanmaak van ijzer van betere kwaliteit. De
toenemende productie moest in een steeds groter gebied worden afgezet,
waardoor de behoefte aan extern transport over langere afstanden toenam.
In 1604 begint bij een kolenmijn bij Nottingham de geschiedenis van de
echte spoorweg: er wordt drie kilometer rails aangelegd om kolen af te
voeren. Dat beviel kennelijk goed, want vanaf dat moment zien we een
toename van het railvervoer in en rond de mijnen. IJzer en staal Vooral de geringe rolweerstand van metalen wielen op metalen rails zou
de aanzet blijken tot de wereldwijde verbreiding van een vervoersvorm
die eeuwenlang zowel het lokale, interlokale als internationale verkeer
zou domineren. Men had inmiddels de opstaande kanten aan het spoor
vervangen door flenzen op de wielen. Zo bleven de voertuigen op de
spoor-weg. Gietijzer maakte eerst plaats voor smeedijzer en later voor
staal. De techniek van de spoorwegbouw begon zich te ontwikkelen, zowel
op het gebied van de constructie van de spoorbaan als van bruggen en
viaducten. Maar niets wees erop dat vandaag de dag moderne treinen
zonder moeilijkheden 500 km/h kunnen rijden over in feite - nog steeds -
twee parallel lopende stukken staal. Van stoom naar kracht In de 17e eeuw werd de stoom herontdekt en diverse constructeurs
leverden een bijdrage aan de ontwikkeling van de stoommachine. In 1698
kreeg Thomas Savery patent op een ontwerp waarmee water kon worden
opgepompt. Een vat met water werd gevuld met stoom waardoor het water
naar boven werd geperst. De stoomtoevoer werd afgesloten en het vat werd
met koud water overgoten. Daardoor condenseerde de aanwezige stoom en
ontstond in het vat een vacuüm, waarmee vers water werd opgezogen. De
wateromloop werd geregeld met kleppen die slechts in één richting open
konden. Dat zo'n machine alleen voor stationair gebruik geschikt was,
behoeft geen betoog. Thomas Newcomen ontwikkelde in 1705 een machine die ook werkte volgens
het principe van stoomvulling en afkoeling. Hij gebruikte geen vat, maar
een verticale cilinder met een op- en neergaande zuiger. Evenals
Savery's stoommachine ging dit systeem nogal slordig om met brandstof.
Toch werden vanaf 1712 ongeveer 1500 van deze machines gebouwd, onder
meer om mijnen leeg te pompen.
James Watt, een instrumentmaker uit Glasgow, moest rond het midden van
de 18e eeuw voor de universiteit een Newcomen-machine repareren. Hij was
niet tevreden over het verlies aan energie dat werd veroorzaakt door het
beurtelings verhitten en afkoelen van de cilinder. Daarom ontwikkelde
hij een apart condensatievat, waardoor de cilinder op temperatuur kon
blijven, zeker met een goede isolatie. In 1769 kreeg hij patent op zijn
verbeteringen. De weg naar algemeen gebruik van stoommachines lag open.
Maar door hun omvang kwamen ze in eerste instantie alleen in aanmerking
voor stationaire toepassing. De stoom wordt mobiel De stoommachine had zich inmiddels weliswaar tot een praktische vorm
ontwikkeld, maar hij was nog te groot en te zwaar voor gebruik als
mobiele tractie. Wel konden zij in stationaire opstelling railvoertuigen
aan een kabel voortbewegen. Toch zat er verandering in de lucht. In 1769, het jaar waarin James Watt zijn patent kreeg, bouwde de Franse
legerofficier Nicolas Cugnot het eerste stoomvoertuig, bedoeld als
trekker voor kanonnen. Daarbij bleek dat een stoommachine op dat moment
nog te zwaar was om op wielen te zetten. Ook had men het omzetten van de
heen- en weergaande zuigerbeweging in een draaiende beweging nog niet
onder de knie. Dat laatste werd beter toen James Watt in 1784 de
dubbelwerkende stoommachine ontwikkelde. Daarbij wordt de stoom
afwisselend voor en achter de zuiger toegelaten.
Richard Trevithick zou de stap doen van stationaire stoommachines waar
gewicht en afmetingen er niet zoveel toe deden, naar rijdende machines
die aan veel meer voorwaarden moesten voldoen. De compactere machine was
mogelijk omdat Trevithick stoom onder hoge druk toepaste. Al in 1797
bouwde hij drie machines waarvan er één een aanzet zou kunnen zijn
geweest voor een rijdende stoommachine of locomotief. Op 21 februari
1804 introduceerde hij de eerste stoomlocomotief 'Penydarren' met
daarachter: vijf wagons, tien ton ijzer en 70 man. Met een snelheid van
8 km/h reed de combinatie over de 16 km lange tramlijn naar Abercynon.
Ook dit project kampte met de gebruikelijke railbreuken. Trevithick
bewees echter dat onder normale omstandigheden adhesie-locomotieven
kunnen worden toegepast. Het gewicht van de machine is voldoende om de
wielen bij het optrekken niet te laten doorslippen. Ontwerpers als
Hedley
en Stephenson stapten pas tien jaar later af van het door hen
toegepaste tandradsysteem. Daarbij wordt de trekkracht op de spoorbaan
overgebracht door middel van tandraderen aan de locomotief en een
getande rail in het spoor. Dat gaat best zolang de snelheden niet te
hoog worden. Tandradsystemen zien we nu nog wel bij trajecten in de
bergen waar steile hellingen moeten worden overwonnen.
Richard Trevithick heeft voor het eerst mechanische kracht mobiel
gemaakt. In 1808 demonstreerde Trevithick zijn locomotief 'Catch-me-who-can' en
een rijtuig op een cirkelvormige baan in Londen. Maar ondanks de
snelheid van meer dan 19 km/h bleef de breekbaarheid van de rails verder
succes in de weg staan. Ook de beoogde belangstelling van financiers
bleef uit. Die van het publiek bleef beperkt tot een aantal bezoekers
die tegen een tarief van 1 shilling konden meerijden: overigens de
eerste betalende reizigers voor railtransport...
Richard Trevithick (1771-1833)
Het kon niet missen, Richard was de zoon van een mijndirecteur - uit
Cornwall. Al vroeg experimenteerde hij met nieuwe technieken voor
stoommachines. Op Kerstavond 1801 reed hij voor het eerst met een
stoomwagen op de weg. In 1802 nam Trevithick patent op een hogedruk
stoommachine voor stationair en mobiel gebruik en een jaar later reed
hij met een door stoom aangedreven wegvoertuig in Londen van Holborn
naar Paddington. De publieke opinie en de conditie van de weg waren er
echter nog niet rijp voor. Toch bleek de hogedruk stoommachine de
sleutel tot de ontwikkeling van de stoomlocomotief: de machines konden
compacter worden waardoor mobiele toepassing mogelijk werd. James Watt
was overigens een fervent tegenstander van hogedruk stoommachines.
Na het echec in Londen ging Richard weer stationaire stoommachines
bouwen - bij de Penydarren ijzerfabrieken in Merthyr Tydfil, Wales. Het
mobiel maken van de stoommachine bleef hem echter intrigeren wat leidde
tot de ontwikkeling van de 'Penydarren'. Deze machine was een
belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van het vervoer over de 'IJzeren
weg', de 'Eisenbahn', de 'Chemin de Fer', de 'Ferrovia', de 'Järnväg' -
termen die zijn ontstaan uit wat men kende: een weg over land, maar dan
van ijzer.
Uiteindelijk bleef het zwaartepunt van Trevithick's werk bij de
stationaire stoommachines liggen, en hij bouwde ze van Cornwall tot in
Zuid-Amerika. Een raam in Westminster Abbey herinnert aan deze pionier
van een vorm van spoorwegtractie die nu nog voortleeft bij de railmusea
in Nederland en talloze andere landen ter wereld. |
Van mijnen naar lijnen In 1812 liet mijnbouwkundig opzichter
John Blenkinsop de eerste
bruikbare en succesvolle locomotief bouwen voor de Middleton mijnen bij
Leeds. De rails waren nog steeds van gietijzer; de machine had twee
verticale cilinders en maakte gebruik van het tandradsysteem. In 1812 en
1813 volgden nog drie locomotieven die dagelijks werden ingezet tussen
de mijnen en Leeds, een afstand van meer dan 5 km. De volgende ontwikkeling werd in 1813 ingezet door
William Hedley die
met
'Puffing Billy' de eerste bruikbare adhesie-locomotief bouwde.
Hierbij zorgt de wieldruk van de machine voor het realiseren van de
trekkracht. Ook deze machine deed dienst in een kolenmijn, evenals de
eerste stoomloc van de beroemde George Stephenson, de 'Blücher' in 1814.
Deze constructeur had al jaren gelobbyd in het mijnwereldje van
Noord-Engeland. Hij werd in 1823 uitgenodigd om een spoorlijn te
ontwerpen en te bouwen tussen Stockton en Darlington. In 1825 werd de
lijn geopend, de eerste openbare spoorweg ter wereld met mechanische
tractie en bedoeld voor goederen- én reizigersvervoer. Al eerder - in
1803 - was een openbare spoorweg in dienst gesteld, de Surrey Iron
Railway Company tussen Wandsworth en Croydon. Die maakte echter gebruik
van paardentractie. Het succes van Stephenson was voor een groot deel te
danken aan het feit, dat Blenkinsop rond 1820 smeedijzeren rails had
ontwikkeld. Daarmee kwam een einde aan de grote sta-in-de-weg voor
verdere ontplooiing van de stoomtractie - zwakke en breekbare rails.
De eerste locomotief op de Stockton & Darlington was de bekende 'Locomotion',
maar die was evenals zijn collega's te zwaar, te zwak en te langzaam
voor reizigerstreinen. Soms greep de maatschappij terug op
paardentractie. In 1827 kwam constructeur Timothy Hackworth echter met
de 'Royal George', een machine met drie gekoppelde drijfassen. Vanaf
1833 waren de paarden verleden tijd.
De Liverpool & Manchester Railway wilde voor zijn eerste locomotieven
het beste van het beste. In 1829 werd bij Rainhill tussen Liverpool en
Manchester een wedstrijd gehouden, waar de 'Rocket' als winnaar uit de
bus kwam, een ontwerp van Robert Stephenson, de zoon van George. De lijn
werd geopend in 1830 en van meet af aan werden alle ritten met
stoomtractie uitgevoerd. Inmiddels had Blenkinsop in 1829 patent
gekregen op gewalste stalen rails die veel sterker waren en de inzet van
zwaardere locomotieven mogelijk maakten. De spoorwegen waren hun wieg
ontgroeid.
Spoorwegen trekken diepe sporen De ontwikkeling van de spoorwegen - vooral in de 19e eeuw - heeft een
grote invloed gehad op de maatschappij. Treinen maakten snelle
verplaatsing van grote aantallen personen mogelijk, wat heeft geleid tot
een aanzienlijke toename van de actieradius van de mens. Mobiliteit werd
gedemocratiseerd, er kwam een vrijere keuze van woon- en werkplek,
familieleden konden verder weg gaan wonen, kortom, de spoorwegen hebben
een grote invloed gehad op het sociale leven, de economie, de
ruimtelijke ordening en dergelijke. Goederen konden snel en massaal
worden vervoerd, waardoor de concurrentiepositie van landen en
individuele bedrijven werd vergroot. Al snel werd transport een aspect
van de politiek; niemand kan zich een land voorstellen zonder een
ministerie dat zich met vervoer bezig houdt. En ook al is dat
tegenwoordig vaak wegtransport, de basis is gelegd door de opkomst van
de spoorwegen. Strategische en economische sleutelpositie
Vaak heeft de aanleg van een spoorlijn een politieke en strategische
achtergrond gehad. Niet voor niets worden al heel lang bij
vijandelijkheden allereerst de spoorwegknooppunten en spoorbruggen
aangevallen. In crisissituaties moeten militairen, voertuigen en
voorraden immers snel en in grote hoeveelheden worden vervoerd. En daar
zijn de spoorwegen heel geschikt voor.
In nagenoeg alle landen heeft men spoorwegen aangelegd en daar had men
uiteenlopende redenen voor. Zo werd in Nederland veel vaart gezet achter
de verbinding met het Duitse achterland om te kunnen concurreren met de
Belgische havens. De agrarische gebieden in ons land werden ontsloten
door de lichtere lokaalspoor- en tramwegen, zowel voor personenvervoer
als voor de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten. In
Amerika was de ontsluiting van het Midden-Westen onlosmakelijk met de
aanleg van spoorlijnen verbonden. Ook de Transsiberische spoorlijn is
van groot strategisch en economisch belang. Zonder veel moeite kan deze
lijst worden uitgebreid met een groot aantal projecten over de hele
wereld. De eerste spoorwegen in Nederland Ons land had ten tijde van de opkomst van de spoorwegen een naar de
normen van die tijd behoorlijk functionerend vervoer over land en over
water. Koning Willem I (1815-1839) besteedde veel aandacht aan het
graven van kanalen en de verharding van het wegennet. Ook al omdat de
afstanden in Nederland betrekkelijk kort zijn en zwaar transport
nauwelijks aan de orde was, duurde het enige tijd voordat het fenomeen
'spoorweg' de volle aandacht kreeg. De aanleg van de eerste spoorlijnen
gebeurde zowel op initiatief van de staat als van particulieren.
Concurrentie-overwegingen zouden een grote stimulans blijken te zijn
voor de aanleg van railverbindingen. België was in 1830 onafhankelijk
geworden en in 1834 begonnen met de aanleg van een spoorlijn tussen
Antwerpen en het Rijnland. Amsterdam en Rotterdam wilden een
soortgelijke verbinding hebben. De eerste plannen daarvoor werden
gepubliceerd in 1833 en betroffen de aanleg van een spoorlijn van
Amsterdam via Arnhem door het Rijnland naar Keulen. De lijn zou worden
geëxploiteerd door de NRS, de Nederlandsche Rhijn Spoorwegmaatschappij.
Nadat het Parlement het project om financiële redenen had afgestemd,
werd onder koninklijke borgstelling toch een lening uitgeschreven. In
1843 werd Utrecht bereikt, in 1845 reden de treinen tot Arnhem, maar pas
in 1856 kwam bij de grens de aansluiting op het Duitse traject tot
stand. Een jaar eerder was de tak Rotterdam-Utrecht geopend.
De plannen voor aanleg van een spoorverbinding tussen Amsterdam en
Rotterdam via Haarlem - de zogenaamde Oude Lijn - ondervonden minder
vertraging. De Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij - HIJSM of ook
wel HSM - werd opgericht in 1836 en kreeg in datzelfde jaar een
concessie voor het traject Amsterdam-Haarlem. Er werd voortvarend
gewerkt zodat op 20 september 1839 de openingsrit kon plaats hebben, met
de in Engeland gebouwde machines 'De Arend' en 'De Snelheid'. Van
eerstgenoemde locomotief is in de jaren '30 een replica gebouwd. De lijn
bereikte Leiden in 1842, Den Haag een jaar later en Rotterdam in 1847.
Rond het midden van de 19e eeuw waren er nóg twee exploitanten. De
Antwerpen-Rotterdamsche Spoorwegmaatschappij reed tussen Antwerpen en de
bootverbinding over het Hollandsch Diep met een aftakking naar Breda.
Door Limburg liepen sinds 1853 de treinen van de Aken-Maastrichtse
Spoorwegmaatschappij, vanaf 1856 doorgaand naar het Belgische Hasselt.
De slag om de spoorbreedte Oorspronkelijk hadden de eerste spoorlijnen in Nederland zogenaamd
breedspoor, een gevolg van het feit dat de eerste stoomlocomotieven van
Britse makelij waren. Al spoedig werd overgegaan op normaalspoor, 1435
mm breed. Voor de HSM en de NRS betekende dit weliswaar een ombouw, maar
tegelijk de mogelijkheid om later doorgaande treinen met andere
exploitanten uit te wisselen. Ook in Engeland heeft zich trouwens zo'n
ombouw voorgedaan na de Battle of the Gauges. Daar werd bij wet
normaalspoor standaard voor alle nieuwe projecten ten koste van o.a. het
breedspoor van 7 feet (2134 mm). Deze ontwikkeling in Engeland maakte
het ook gemakkelijk daar locomotieven te blijven kopen.
Stagnatie en nieuwe koers Nadat de lijn Utrecht-Amersfoort-Zwolle van de Nederlandsche Centraal
Spoorweg (NCS) in 1864 was geopend, bleef het een tijdje stil.
Concessie-aanvragen genoeg, maar bij de staat was weinig geld voor
aanleg. Particuliere investeerders aarzelden. Het was een hele
vooruitgang toen de staat besloot, de bouw van bruggen te betalen in
geval van aanleg van de lijn door particulieren. In 1860 werd een wet
aangenomen waarin de staat de aanleg van een basisnet van 800 km voor
zijn rekening nam. Een complicatie was dat zich in dit rompnet een groot
aantal bruggen bevond over de grote rivieren. Dat zou later opvallende
staaltjes constructiewerk opleveren. Rond 1880 was het basisnet een
feit.
In 1863 werd de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS)
opgericht, een particuliere onderneming. Op bouwkundig gebied was er een
opmerkelijke ontwikkeling: het ministerie liet vijf standaardontwerpen
maken van
stationsgebouwen van diverse grootte. Een aantal van deze
zogenaamde Waterstaat-stations bestaat nu nog.
In 1916 werden de Nederlandse Spoorwegen opgericht, een
samenwerkingsverband van HSM en SS. De zetel kwam in Utrecht waar in
1920 het zo markante en massieve derde hoofdgebouw in gebruik werd
genomen, in de spoorwereld bekend als HGB III.
Liever regelmaat dan snelheid en luxe Nederland liep voorop bij het invoeren van een zogenaamde starre
dienstregeling, met treinen op vaste intervallen. Dat kwam bij veel
buitenlandse maatschappijen (veel) later. Een starre dienstregeling
vereist dat er een beperkt aantal treinsoorten is, zoals snel- en
stoptreinen. Ook dient de dienstregelingssnelheid gelijk te zijn, wat
gevolgen heeft voor de samenstelling van de treinen.
Nederland heeft altijd gemikt op een goed gemiddeld niveau van
treindiensten. Daarin moest vanwege de buitenlandse verbindingen af en
toe plaats gemaakt worden voor TEE- en D-treinen. Dat betekende telkens
een afwijking van de starre dienstregeling. Doordat onze buurlanden ook
op een starre dienstregeling zijn overgegaan, zijn deze aanpassingen
veel geringer geworden.
Supersnelle en luxe treinen voor binnenlands verkeer heeft ons land
nooit gekend. Daarvoor waren de afstanden te kort en inbreuken op de
starre dienstregeling minder gewenst. Dus geen 'Mistral' of 'Flying
Scotsman', wel een TEE naar Parijs waarvoor alle trucs uit de kast
werden gehaald om hem tussen de binnenlandse diensten door te loodsen.
Tussen Amsterdam en de Belgische grens haalde de TEE 'Etoile du Nord'
z'n voorligger - een gecombineerde snel/stoptrein naar Roosendaal - in
twee stukken in. In Rotterdam passeerde de TEE het stoptreingedeelte en
reed het sneltreingedeelte vooruit; in Dordrecht werd ook dat ingehaald.
Wat Nederland wél kende waren goedkope treinen naar populaire
dagbestemmingen. Zo kon men in de zomer van 1933 een apart spoorboekje
raadplegen dat als titel had: 'Goedkoope treinen, Goedkoope tarieven'.
Bedoeld om provincialen naar de grote steden en de badplaatsen te
lokken, en om voor stedelingen de geneugten van bos en hei bereikbaar te
maken... Lokaalspoorwegen Rond 1915 waren de mazen in het basisnet grotendeels opgevuld met lokale
lijnen die vaak met steun van diverse overheden waren aangelegd. De
technische eisen die aan deze lijnen werden gesteld, waren minder streng
dan bij de hoofdlijnen het geval was. Dat was mogelijk omdat o.m. de
rijsnelheid lager lag. Wel was bij de meerderheid van de
lokaalspoorwegen gekozen voor normaalspoor en niet voor smalspoor om
overladen zoveel mogelijk te voorkomen. De exploitatie was voor het
grootste deel in handen van de HSM en de SS. Stoomtrams In 2004 herdenken we ook het 125-jarig jubileum van de stoomtram in
Nederland. Vaak rijdend op een smaller dan normaalspoor deden de
stoomtrams hun werk in de gebieden waarvoor zelfs lokaalspoorwegen te
duur waren. Vooral in dunbevolkte gebieden - die hadden we toen nog -
boden ze de mensen de mogelijkheid naar de markt te gaan, naar school of
op familiebezoek. Net zoals de streekbus nu - en inderdaad betekende de
opkomst van de bus het einde van de stoomtram. De bus maakt gebruik van
bestaande wegen, en de stoomtram had een eigen, hoewel lichte
infrastructuur nodig.
Ook voor aan- en afvoer van goederen en post speelden de stoomtrams een
belangrijke rol. Een bekend voorbeeld van een veelomvattend netwerk is
dat van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij op de Zuidhollandse
eilanden. De RTM exploiteerde niet alleen stoomtrams - op een
spoorwijdte van 1067 mm tussen normaal- en smalspoor in - maar ook
vrachtauto's en veerboten. De eerste toepassing van de container die het
overladen tussen die vervoermiddelen overbodig maakte, wordt aan de RTM
toegeschreven. Industrielocomotieven Er zijn talloze locomotieven geweest die nooit het terrein van hun
bedrijf verlieten, of hooguit reden tot het naastbijgelegen NS-station.
Deze compacte locs moeten een grote trekkracht hebben, maar hoeven niet
snel te kunnen rijden. Vandaar dat ze betrekkelijk kleine drijfwielen
hebben. Hoe groter de vereiste trekkracht, des te meer aangedreven
wielen ze hebben. Daardoor wordt de kracht over meer punten verdeeld,
waardoor doorslippen wordt tegengegaan. Dat 'voeten vegen' is dan wel
leuk om te zien, maar je verliest veel vermogen en het is niet goed voor
het mechaniek.
Locomotieven voor industrieel gebruik komen in alle spoorbreedtes voor.
Normaalspoor is gemakkelijk als goederenwagons moeten worden
uitgewisseld met het landelijke spoorwegnet. Op afgesloten terreinen
waar de vervoerde materialen niet 'buiten de poort' komen, zien we vaak
smalspoor, goedkoper en gemakkelijker te onderhouden. Die aanwezigheid
kan ook tijdelijk zijn, bijvoorbeeld voor zandtransport bij de aanleg
van wegen en kanalen. Waar kwamen de Nederlandse stoomlocs vandaan? Naar schatting zijn wereldwijd circa 660.000 stoomlocomotieven gebouwd,
waarvan 160.000 in Duitsland en 100.000 in Groot-Brittannië. Uit beide
landen heeft Nederland veel machines geïmporteerd. Heel bekend waren
firma's als Borsig, Henschel, Krupp, Maffei en Schwartzkopff,
respectievelijk - vooral uit de beginjaren - Beyer Peacock, Sharp
Stewart en Stephenson.
Ons land is klein en als dan niet één maar een aantal exploitanten in
het spel zijn, kan men geen grote series locomotieven bouwen. Het
Utrechtse bedrijf Werkspoor heeft circa 1000 stoomlocs gebouwd.
Daarnaast waren voor de kleinere spoorbreedtes de bedrijven Backer &
Rueb in Breda en Du Croo & Brauns in Amsterdam/Weesp actief. Een
behoorlijk aantal machines ging naar het voormalig Nederlands-Indië.
Voorbeeld is de 'Bergkoningin', gebouwd door Werkspoor, een
indrukwekkende machine die zich nu in het Nederlands Spoorwegmuseum
bevindt.
Naderend einde Al voor 1940 werd het spoorwegnetwerk ingekrompen; voornamelijk betrof
dit de lokaalspoorwegen in de provincie. Inmiddels waren elektrische en
dieseltractie opgekomen, vooral op de hoofdlijnen. Dit ging ten koste
van de stoomtreindienst die werd geconcentreerd op de zijlijnen en op de
goederendienst. Na de bevrijding bleek een groot aantal
stoomlocomotieven zwaar of onherstelbaar beschadigd te zijn; vele waren
geroofd en kwamen niet meer terug. De infrastructuur was eveneens zwaar
getroffen en men stond voor de keus met beperkte middelen zoveel
mogelijk effect te realiseren. De voordelen van elektrisch en
dieselmaterieel zoals snelle inzetbaarheid en efficiency betekende het
einde van de stoomtractie. Stoomlocomotieven werden bij tientallen
tegelijk buiten dienst gesteld.
In 1953 veroorzaakte de watersnood grote schade aan het spoorwegnet in
zuidwest-Nederland. Met kunst en vliegwerk werd getracht het railverkeer
weer op gang te brengen, waarbij de stoomlocomotieven goede diensten
bewezen op plaatsen waar de elektrische bovenleiding was weggevaagd.
Voor de RTM betekende de watersnood vanwege de enorme schade aan het
railnet het versnelde einde van het railverkeer op de Zuidhollandse
eilanden.
Uiteindelijk werden zelfs sneltreinlocomotieven voor rangeerwerk
gebruikt. Op 7 januari 1958 liep de 3737, de laatste dienstvaardige
sneltreinloc van de Nederlandse Spoorwegen, het Spoorwegmuseum binnen.
Synchrone ontwikkelingen Terugkijkend op de geschiedenis sinds 130 vC kunnen we vaststellen, dat
ook in dit onderdeel van het vervoer over land sprake was van een aantal
ontwikkelingen die elkaar versterkt hebben. Men ontdekte de kracht van
de stoom, leerde deze te beheersen en te gebruiken. Door toepassing van
staal werd de kwaliteit van het spoor en de wielen aanzienlijk
verbeterd. En wat voor de ontwikkeling van de spoorwegen van het
grootste belang zou zijn: men wist de kracht van de stoom mobiel te
maken. Deze sprong in de techniek maakte Richard Trevithick in 1804.
Leve de stoom! Oplettende lieden hadden al gauw in de gaten dat het snelle proces van
modernisering bij de Nederlandse Spoorwegen een gevaar inhield voor het
behoud van de stoomtractie in museale vorm. In verschillende delen van
het land werden verenigingen van stoomliefhebbers opgericht die met meer
enthousiasme dan geld en gereedschap probeerden te redden wat er te
redden viel. Dat was voor wat betreft Nederlandse stoomlocomotieven niet
veel. In het Spoorwegmuseum stond een aantal niet-rijdbare machines en
de eerdergenoemde 3737. De rest was voortvarend gesloopt. Toch konden de
museumlijnen de hand leggen op een aantal industrielocs en machines van
buitenlandse herkomst. Ook werd de Nederlandse ex-lokaalspoorloc 'Bello'
die in Bergen als gedenkteken was opgesteld, van z'n sokkel
gehaald en grondig gerestaureerd. Voor dit moment: dank voor uw aandacht.
En heeft u belangstelling om op een of andere manier mee te werken aan
het behoud van de stoomtractie, neem gerust contact op met een van de
Nederlandse railmusea. De adressen vindt u via de individuele
websites van de railmusea. Bronnen
- British Rail LMR: Rocket 150 (1980)
- René van den Broeke: Van Penydarren tot Merryweather (De Stoomtram nr
98, 2004)
- C Hamilton Ellis: The Lore of the Train (1973)
- Jack Simmons: The Railways of Britain (1987)
- A J Veenendaal Jr: De ijzeren weg in een land vol water (1998)
- H Waldorp: Onze Nederlandse stoomlocomotieven (1986) Tekst
Gerard L S Willemse, Transportation Press Service TPS
met - zeer gewaardeerde - medewerking van:
René van den Broeke, Stoomtram Documentatie Centrum, SHM
Kees Wielemaker, Historisch Railvervoer Nederland HRN Beeldmateriaal uit de collecties van
- Nederlands Spoorwegmuseum, Utrecht
- Kees Wielemaker, Historisch Railvervoer Nederland HRN
- Transportation Press Service TPS, Lettele
- Stoomtram Documentatie Centrum, Hoorn
- Science Museum, London
- C Hamilton Ellis
- L J Biezeveld
- Jan Voerman
Op basis van deze tekst is een informatiewand samengesteld
die een kort overzicht geeft van wat aan '1804' voorafging,
de ontwikkeling van de spoorwegen in Nederland en wat nu in
ons land aan stoomtractie te zien is. De infowand kwam tot
stand met geldelijke bijdragen van het ANWB-Fonds en het Prins
Bernhard Cultuurfonds. Gedurende het rijseizoen 2004 stond
de wand opgesteld op evenementen bij diverse musea.
|